'En de gelagkamer
was zoo hoog als een kerk, maar je kon er nix te eten krijgen en ook niet
overnachten, al heette 't: "Hôtel de Gouden Leeuw", maar hij heeft
voor ons getelefoneerd naar Meier in Middelharnis en daar hebben we geslapen en
er was geen handdoek en er waren maar twee klontjes bij een groote pot thee voor
twee personen (je bent dan een persoon) en nou hebben we nog vergeten Meier om
z'n portret te vragen.'
Vermeldend dat men
in Middelharnis een waaggebouwtje met een luifel heeft afgebroken, om op die
plaats een lelijke pettenwinkel te bouwen, merkt hij op: 'God ziet toch
blijkbaar niet alles.'
Elke keer
als ik op mijn tijdelijke werkplek zit, denk ik aan NESCIO en aan zijn Titaantjes.
Toen we
gister naar het Stedelijk Museum in Amsterdam gingen, tramden we ter afwisseling van
al die overweldigende kunst naar het Oosterpark waar een beeld van de Titaantjes
staat. Aan de tramconducteur vroeg ik of hij me wilde waarschuwen waar we
uit moesten stappen. “Moet u naar het OLVG?“ vroeg hij. Niet-begrijpend keek ik
‘m aan en wilde eerst antwoorden “Nee, de Titaantjes“, maar zag daar van af,
want dan zou hij waarschijnlijk op zijn beurt niet-begrijpend gekeken hebben.
Alhoewel…
ze zijn in Amsterdam wel wat gewend.
In het
park zagen we een beeld ter nagedachtenis aan de slavernij en een metershoog
beeld (de Schreeuw) als herinnering aan Theo van Gogh.
En
natuurlijk de Titaantjes: Jongens waren
we, maar aardige jongens.
Toen we
later weer op de tram wilden stappen, bleek ons OV kaartje verlopen te zijn. Ik
wilde eerst nog onschuldig tegen de tramconducteur ‘NESCIO’ zeggen wat letterlijk ‘ik
weet niet’ betekent, maar zag daar toch maar van af, want ze zijn wel wat
gewend in Amsterdam, maar er zijn grenzen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten